H. Buckinx Heystertbaan 31 6044 XW Roermond         The Netherlands          Phone: 0(031)-475341988

Betreft: Historisch Overzicht

 

 

Met betrekking tot de problematiek, het waarom en hoe het ras “DOGO ARGENTINO” is ontstaan, is het zinvol zich het Argentijnse “Cordoba” van kort voor tot aan de eeuwwisseling voor te stellen.

Cordoba was in die tijd als provincie zowel als stad een bloeiend en trots middelpunt van de Argentijnse levenscultuur. Dit Cordoba, een tijdperk, waarin zich voor alles de Spaanse geest en romantiek manifesteerde, had naast de vele aspecten van het koloniale leven ook een ander gezicht, evengoed een erfenis van de Spaanse geschiedenis, die het land werd opgedrongen, namelijk de hartstocht voor bloedige gevechten. Niet alleen de stieregevechten zouden voet in de aarde krijgen, ook de hanengevechten en het hondengevecht (wat zo mogelijk nog gewelddadiger verliep) werden geliefde bezigheden.

Zondag na Zondag konden de toeschouwers zich verlustigen aan het bloed van deze betreurenswaardige dieren. De sterkste honden brachten natuurlijk aanzienlijke weddenschaps- gelden op mede aanzien voor de eigenaar van zo’n “kampioen”. De hondengevechten waren een vrijetijdsvermaak geworden voor elke laag van de bevolking. Als gevolg van de perfecte organisatie alsmede het meedoen van invloedrijke personen (die zelfs als organisatoren fungeerden) en de steeds hoger wordende weddenschappen, probeerde een ieder om de meest geschikte hond te krijgen of te fokken. Voorname personen als Oscar Martinez, Don Pepe Pena, der Baron Funes, Dr. Jose Ignatio Bas, Dr. Enrique Otero Caballero, Dr. Narciso Nores, Don Rogelio Martinez om er maar een paar te noemen, bezaten de honden met de meeste overwinningen. Voor zover kan worden teruggegaan bracht het inkruisen van Bull-Doggen, Boxers of Bull-Terriers in de Cafees (Spaanse Mastino’s) de beroemdste gladiatoren voort.

Hoewel het juiste ontstaan van de toenmalige in Cordoba wonende vechthondenpopulatie moeilijk is na te gaan, is het wel mogelijk om enigszins een verklaring te geven over hun herkomst. Wat de geschriften met de Spaanse Mastino als uitgaansras vasthoudt is niet overeenkomstig met datgene wat in de gestandariseerde kynologie is vastgelegd, waarin de Mastino Espagnol rechtstreeks gelijk getrokken wordt met de Spaanse Mastino. Het zouden eerder honden geweest zijn, die vanuit de door de Spanjaarden ten tijde van de kolonisatie meegebrachte drijfhonden waren samengesteld. Toendertijd hadden zich in Spanje twee soorten van Dog-achtigen ontwikkeld die reeds in hun thuisland relatief sterk waren gekruisd nl.: 1) De Perro De Presa 2) De Perro De Presa Mallorquin ( deze variant was kleiner van gestalte maar had een veel zwaardere kop ). Beide varianten lijken op de legendarische, iets grotere, maar niet zo zware Alano.

Echter deze benamingen zijn ook onderling gebruikt. Veelal werd “Alano” als gemeenschappelijke naam voor verschillende honden van het type drijfhond of huishond gebruikt. Werden ze in nauwere zin, derhalve niet als zware drijfhond zoals de Perro De Presa beschreven, zo lijkt de beschrijving verbluffend tot in de details op de huidige Dogo-Argentino. Koning Alfonso de elfde haalde in 1342 in Spanje een Doggen uiterlijk alleen onder de naam “Alano” in zin jachtboek aan en beschreef deze precies. Don Alonso M de Espinars verhandeling over de “Kunst van het schieten en de hoogwildjacht” (1644) bevat een zelfde beschrijving van de “Alano” als in Alfonso’s jachtboek.

Het in 1864 te Madrid uitgegeven “Tresoro De La Cazeria” beschrijft de “Alano” als gelijke van de Perro De Presa en de Mastin als zware jachthonden. Wij willen het hierbij laten en de “Alano” als de in Cordoba gebruikte basis zien, in welke met het einddoel hondegevechten, weer nieuwe honderassen werden ingekruist. Er was waarschijnlijk geen kant en klaar inkruisrecept. Kampioenshonden werden door een natuurlijke selectie tot een op zichzelf staand ras gevormd dat in de volksmond als “Perro De Pelea Cordobes” en wat later als “Viejo Perro De Pelea” aangeduid werd. Deze voor een groot gedeelte zuiver witte, of witte honden met een donkere vlek bezaten een onovertroffen moed en vechtlust en waren verregaand ongevoelig voor pijn. Goed beschouwd zijn deze honden echter “Alano’s gebleven die door kort opeenvolgende inkruisingen slechts kleine mutaties ondergingen.

Zoals in meerdere kringen werd er ook in het huis van de nu bekende familie Antonio Nores en Isabel Martinez Berroetaran rijkelijk over deze honden gediscussieerd, waarbij een van hun zonen, Antonio Nores Martinez, de onderwerpen op de voet volgde. Toen in de twintiger jaren de hondengevechten rigoureus werden verboden bij wet werd het al snel stil rond de “Perro De Pelea Cordobes”. Op dit moment nam de jonge Antonio Nores Martinez het besluit om dit ras te redden, dan wel op basis van de “Viejo Perro de Pelea” een nieuw ras te fokken. Zijn bedoeling was het om honden te fokken die voor het gevecht met weerbaar wild zoals het everzwijn maar ook de poema geschikt waren.

Voor dit soort jacht was het noodzakelijk om deze vechthonden met een aantal toegevoegde waarden uit te rusten nl.: 1) een speciale reukzin. 2) meer gewicht. 3) groter loopvermogen. 4) in meute jagen en daarmee de vechtlust jegens soortgenoten naar de achtergrond verdringen.

Zo begon een moeizame periode van inkruisen met alle vooruitgangen en ook tegenslagen van dien. Maar ook hierbij had Antonio niet zo veel fokwerk te doen. (In ieder geval veel minder dan later aan hem zou worden toegeschreven). Men was er reeds stellig van overtuigt dat het bij de Dogo-Argentino om een voortzetting van de Alano ging. De Alano had onder andere als jachthond de taak van het aanpakken van zwijnen en ander gevaarlijk groot wild alsmede tegenstander te zijn van vechtstieren, zoals op een gravure van Goya te zien is. Voor deze laatste functie werd hij tot de afgelopen eeuwwisseling gebruikt. De honden werden door de veelal uit de Spaanse provincie Estremadura afstammende conquistadores naar de koloniën meegenomen. En juist in deze provincie kwamen aanwijsbaar de meeste Alano’s voor. De kruisingen, welke (zoals verwacht) door de Argentijnse hondenfokkers werden doorgevoerd konden echter maar weinig aan het gen-potentieel van het oeroude ras veranderen. Net zo min als dit kon geschieden door het in nog kortere tijd inkruisen door Antonio Martinez.

Het werk van Antonio Nores Martinez

Dr. Antonio Nores Martinez had zich naar aanleiding van een verhandeling door de jachtvereniging van Buenos Aires in Oktober 1947, die zijn intenties steeds veel aandacht in hun publiciteitsorgaan “Diana” hadden gegeven, verplicht tot het fokken van een Argentijnse jachthond op grootwild. Uitgaande van de specifieke feiten en hoge eisen van de Argentijnse jacht, in tegenstelling tot die van de oude wereld, schetste hij het profiel van de geschikte hond nl.:

Allereerst moet hij geruisloos kunnen speuren en mag pas daarna in de strijd met zijn tegenstander geluid maken.

Ten tweede moet hij een scherpe neus hebben, maar dan wel speuren met de neus in de hoogte en niet over de grond in het spoor, want bijv. Op de poemajacht pleegt deze grote wildkat door het overspringen van grote rotsspleten en afgronden de honden van zijn spoor af te brengen. Wanneer echter de hond de poema met de neus in de lucht naspeurt inplaats van in het spoor komt hij vanzelf bij het wild.

Ten derde zal de hond eerder een vechter dan een superloper moeten zijn, want een poema of een everzwijn inhalen is minder moeilijk dan er een te stellen.

Tenslotte moet de hond voor alles moedig zijn. Wanneer hij bij de poema of het everzwijn is aangekomen, moet hij ongeacht zijn verwondingen deze vast kunnen en durven houden tot de jager of zijn helper erbij gekomen is. In een noodgeval moet hij zelfs alleen het wild kunnen stellen, want in de Argentijnse wouden is het niet mogelijk om enorm grote meutes honden over honderden kilometers tot de jachtplek te vervoeren.

Antonio Nores Martinez beschouwde dit instinct respectievelijk het pakken en vasthouden als de belangrijkste eigenschappen.

Hiermee was het fokdoel dat Antonio Nores Martinez met enthousiasme nastreefde vastgelegd. Kortom een hond die stil, met zijn neus in de lucht, onvermoeibaar jaagt en sterk in de strijd tegen weerbaar wild is, maar geen uitgesproken vechthond, daar hij met andere honden moet samenwerken, en wit van kleur, zodat hij zeer goed van zijn tegenstanders te onderscheiden is.

Hij is klein genoeg om potig te blijven en in dichte begroeiing te kunnen werken doch ook groot genoeg om snel en sterk te zijn. Zijn grootste tegenstanders waren dan ook wildsoorten die de jager tot achtzaamheid maande, zoals de zeldzame jaguar, die hij natuurlijk niet alleen kon pakken of de toendertijd veelvuldig voorkomende poema met een gewicht van zeker 60 kilo die hij op zijn minst moest kunnen vasthouden of de kleine maar zeer wendbare en gevaarlijke Pecari of het geweldige Europese everzwijn met een gewicht van rond de 200 kilo alsmede verdere kleinere roofkatten en vossen die allen een Europese jachthond een geweldig angstgevoel konden geven.

De eerste fokprestatie van Antonio mag in een verbetering van het reukvermogen worden gezien, dat zeker bij de vermengde “Alano” niet meer uitgesproken ontwikkeld was. Om die reden vonden de eerste inkruisingen met bekroonde uit Frankrijk geïmporteerde Pointers plaats. Om meer gewicht en hoogte te krijgen werden gevlekte Duitse Doggen gebruikt. Om de ongevoeligheid voor pijn te behouden werden de Bull-Terriers weer ingekruisd. Maar hier werd de eerste vergissing begaan, doordat te laat werd opgemerkt dat de in La Plata gekochte Bull-Terrier doof was en dit natuurlijk vererfde. Het nam veel tijd in beslag om dit gebrek weer te elimineren. Toch was het te eenvoudig en gewoonweg triviaal om het probleem van de doofheid aan een enkele hond toe te schrijven.

Het gebruik van een Bordeauxdog moest de kaaksterkte vergroten. Voor dezelfde reden werd de Engelse Bulldog en de Boxer ingekruisd. Uiteindelijk werd in de laatste kruising de Ierse Wolfshond gebruikt, die toendertijd nog een toonbeeld van kracht en snelheid was. Ook de Mastino De Los Pirineos werd gebruikt, volgens de overlevering voor betonsterke beenderen oftewel postuur en een zuiver witte vacht.

Met nadruk moet er melding van gemaakt worden, dat Antonio als basis en vaste oriëntatie, ook in latere fases van het fokken, steeds weer de “Viejo Perro de Pelea” heeft gebruikt. Deze aanwijzing is daarom zo bijzonder belangrijk, om duidelijk te maken dat de Dogo-Argentino zich uiteindelijk maar weinig van zijn basis (de Alano) heeft verwijderd en maar weinig kon verwijderen, daar geen fokkersgenie het klaar kan krijgen een vermengt nieuw ras in een zo korte tijd gelijksoortig te houden.

Bovendien komt daar nog bij dat Antonio aan de ene kant juist in het beginstadium geen exacte gegevens heeft bijgehouden (en juist dit feit heeft vele schrijvers tot de avontuurlijkste maar ook wel alledaagse theorieen gebracht). Aan de andere kant zal elk waagstuk zoals Antonio heeft uitgevoerd te begrijpen naar simpele recepten ruiken daar een groot aantal zaken reeds in dit opzicht ver van de werkelijkheid staan.

Toen het fokken tenslotte het niveau had bereikt, dat de honden een algemene samenhang vertoonden, werden enkele aparte geslachten of families opgericht, die vervolgens binnen de familie naar fok werden geselecteerd en opeenvolgend werden gekruist.

De bekendste families binnen de van het begin af aan streng van elkaar gescheiden gehouden fok waren Araucana en Guarani namen van Indiaanse stammen). Van begin af aan, maar voor alles vanaf deze belangrijke fase kon Antonio op de hulp van zijn broer Augustin rekenen. Hij zou later de belangrijkste pijler worden voor de doorbraak van het ras Dogo-Argentino. Hij was het ook die bereikte dat de Dogo-Argentino nationaal en ook internationaal werd erkend.