|

Betreft: Historisch Overzicht
Met
betrekking tot de problematiek, het waarom en hoe het ras
“DOGO ARGENTINO” is ontstaan, is het zinvol zich het
Argentijnse “Cordoba” van kort voor tot aan de
eeuwwisseling voor te stellen.
Cordoba
was in die tijd als provincie zowel als stad een bloeiend en
trots middelpunt van de Argentijnse levenscultuur. Dit Cordoba,
een tijdperk, waarin zich voor alles de Spaanse geest en
romantiek manifesteerde, had naast de vele aspecten van het
koloniale leven ook een ander gezicht, evengoed een erfenis
van de Spaanse geschiedenis, die het land werd opgedrongen,
namelijk de hartstocht voor bloedige gevechten. Niet alleen de
stieregevechten zouden voet in de aarde krijgen, ook de
hanengevechten en het hondengevecht (wat zo mogelijk nog
gewelddadiger verliep) werden geliefde bezigheden.
Zondag
na Zondag konden de toeschouwers zich verlustigen aan het
bloed van deze betreurenswaardige dieren. De sterkste honden
brachten natuurlijk aanzienlijke weddenschaps-
gelden op mede aanzien voor de eigenaar van zo’n
“kampioen”. De hondengevechten waren een
vrijetijdsvermaak geworden voor elke laag van de bevolking.
Als gevolg van de perfecte organisatie
alsmede
het meedoen van invloedrijke personen (die zelfs als
organisatoren fungeerden) en de steeds hoger wordende
weddenschappen, probeerde een ieder om de meest geschikte hond
te krijgen of te fokken. Voorname personen als Oscar Martinez,
Don Pepe Pena, der Baron Funes, Dr. Jose Ignatio Bas, Dr.
Enrique Otero Caballero, Dr. Narciso Nores, Don Rogelio
Martinez om er maar een paar te noemen, bezaten de honden met
de meeste overwinningen. Voor zover kan worden teruggegaan
bracht het inkruisen van Bull-Doggen, Boxers of Bull-Terriers
in de Cafees (Spaanse Mastino’s) de beroemdste gladiatoren
voort.
Hoewel
het juiste ontstaan van de toenmalige in Cordoba wonende
vechthondenpopulatie moeilijk is na te gaan, is het wel
mogelijk om enigszins een verklaring te geven over hun
herkomst. Wat de geschriften met de Spaanse Mastino als
uitgaansras vasthoudt is niet overeenkomstig met datgene wat
in de gestandariseerde kynologie is vastgelegd, waarin de
Mastino Espagnol rechtstreeks gelijk getrokken wordt met de
Spaanse Mastino. Het zouden eerder honden geweest zijn, die
vanuit de door de Spanjaarden ten tijde van de kolonisatie
meegebrachte drijfhonden waren samengesteld. Toendertijd
hadden zich in Spanje twee soorten van Dog-achtigen ontwikkeld
die reeds in hun thuisland relatief sterk waren gekruisd nl.:
1) De Perro De Presa 2) De Perro De Presa Mallorquin
( deze variant was kleiner van gestalte maar had een veel
zwaardere kop ). Beide varianten lijken op de legendarische,
iets grotere, maar niet zo zware Alano.
Echter
deze benamingen zijn ook onderling gebruikt. Veelal werd
“Alano” als gemeenschappelijke naam voor verschillende
honden van het type drijfhond of huishond gebruikt. Werden ze
in nauwere zin, derhalve niet als zware drijfhond zoals de
Perro De Presa beschreven, zo lijkt de beschrijving
verbluffend
tot in de details op de huidige Dogo-Argentino. Koning Alfonso
de elfde haalde in 1342 in Spanje een Doggen uiterlijk alleen
onder de naam “Alano” in zin jachtboek aan en beschreef
deze precies. Don Alonso M de Espinars verhandeling over de
“Kunst van het schieten en de hoogwildjacht” (1644) bevat
een zelfde beschrijving van de “Alano” als in Alfonso’s
jachtboek.
Het
in 1864 te Madrid uitgegeven “Tresoro De La Cazeria”
beschrijft de “Alano” als gelijke van de Perro De Presa en
de Mastin als zware jachthonden. Wij willen het hierbij laten
en de “Alano” als de in Cordoba gebruikte basis zien, in
welke met het einddoel hondegevechten, weer nieuwe honderassen
werden ingekruist. Er was waarschijnlijk geen kant en klaar
inkruisrecept. Kampioenshonden werden door een natuurlijke
selectie tot een op zichzelf staand ras gevormd dat in de
volksmond als “Perro De Pelea Cordobes” en wat later als
“Viejo Perro De Pelea” aangeduid werd. Deze voor een groot
gedeelte zuiver witte, of witte honden met een donkere vlek
bezaten een onovertroffen moed en vechtlust en waren
verregaand ongevoelig voor pijn. Goed beschouwd zijn deze
honden echter “Alano’s gebleven die door kort
opeenvolgende inkruisingen slechts kleine mutaties
ondergingen.
Zoals
in meerdere kringen werd er ook in het huis van de nu bekende
familie Antonio Nores en Isabel Martinez Berroetaran rijkelijk
over deze honden gediscussieerd, waarbij een van hun zonen,
Antonio Nores Martinez, de onderwerpen op de voet volgde. Toen
in de twintiger jaren de hondengevechten rigoureus werden
verboden bij wet werd het al snel stil rond de “Perro De
Pelea Cordobes”. Op dit moment nam de jonge Antonio Nores
Martinez het besluit om dit ras te redden, dan wel op basis
van de “Viejo Perro de Pelea” een nieuw ras te fokken.
Zijn bedoeling was het om honden te fokken die voor het
gevecht met weerbaar wild zoals het everzwijn maar ook de
poema geschikt waren.
Voor
dit soort jacht was het noodzakelijk om deze vechthonden met
een aantal toegevoegde waarden uit te rusten nl.: 1) een
speciale reukzin. 2) meer gewicht. 3) groter loopvermogen. 4)
in meute jagen en daarmee de vechtlust jegens soortgenoten
naar de achtergrond verdringen.
Zo
begon een moeizame periode van inkruisen met alle
vooruitgangen en ook tegenslagen van dien. Maar ook hierbij
had Antonio niet zo veel fokwerk te doen. (In ieder geval veel
minder dan later aan hem zou worden toegeschreven). Men was er
reeds stellig van overtuigt dat het bij de Dogo-Argentino om
een voortzetting van de Alano ging. De Alano had onder andere
als jachthond de taak van het aanpakken van zwijnen en ander
gevaarlijk groot wild alsmede tegenstander te zijn van
vechtstieren, zoals op een gravure van Goya te zien is. Voor
deze laatste functie werd hij tot de afgelopen
eeuwwisseling
gebruikt. De honden werden door de veelal uit de Spaanse
provincie Estremadura afstammende conquistadores naar de
koloniën meegenomen. En juist in deze provincie kwamen
aanwijsbaar de meeste Alano’s voor. De kruisingen, welke
(zoals verwacht) door de Argentijnse hondenfokkers werden
doorgevoerd konden echter maar weinig aan het gen-potentieel
van het oeroude ras veranderen. Net zo min als dit kon
geschieden door het in nog kortere tijd inkruisen door Antonio
Martinez.
Het
werk van Antonio Nores Martinez
Dr.
Antonio Nores Martinez had zich naar aanleiding van een
verhandeling door de jachtvereniging van Buenos Aires in
Oktober 1947, die zijn intenties steeds veel aandacht in hun
publiciteitsorgaan “Diana” hadden gegeven, verplicht tot
het fokken van een Argentijnse jachthond op grootwild.
Uitgaande van de specifieke feiten en hoge eisen van de
Argentijnse jacht, in tegenstelling tot die van de oude
wereld, schetste hij het profiel van de geschikte hond nl.:
Allereerst
moet hij geruisloos kunnen speuren en mag pas daarna in de
strijd met zijn tegenstander geluid maken.
Ten
tweede moet hij een scherpe neus hebben, maar dan wel speuren
met de neus in de hoogte en niet over de grond in het spoor,
want bijv. Op de poemajacht pleegt deze grote wildkat door het
overspringen van grote rotsspleten en afgronden de honden van
zijn spoor af te brengen. Wanneer echter de hond de poema met
de neus in de lucht naspeurt inplaats van in het spoor komt
hij vanzelf bij het wild.
Ten
derde zal de hond eerder een vechter dan een superloper moeten
zijn, want een poema of een everzwijn inhalen is minder
moeilijk dan er een te stellen.
Tenslotte
moet de hond voor alles moedig zijn. Wanneer hij bij de poema
of het everzwijn is aangekomen, moet hij ongeacht zijn
verwondingen deze vast kunnen en durven houden tot de jager of
zijn helper erbij gekomen is. In een noodgeval moet hij zelfs
alleen het wild kunnen stellen, want in de Argentijnse wouden
is het niet mogelijk om enorm grote meutes honden over
honderden kilometers tot de jachtplek te vervoeren.
Antonio
Nores Martinez beschouwde dit instinct respectievelijk het
pakken en vasthouden als de belangrijkste eigenschappen.
Hiermee
was het fokdoel dat Antonio Nores Martinez met enthousiasme
nastreefde vastgelegd. Kortom een hond die stil, met zijn neus
in de lucht, onvermoeibaar jaagt en sterk in de strijd tegen
weerbaar wild is, maar geen uitgesproken vechthond, daar hij
met andere honden moet samenwerken, en wit van kleur, zodat
hij zeer goed van zijn tegenstanders te onderscheiden is.
Hij
is klein genoeg om potig te blijven en in dichte begroeiing te
kunnen werken doch ook groot genoeg om snel en sterk te zijn.
Zijn grootste tegenstanders waren dan ook wildsoorten die de
jager tot achtzaamheid maande, zoals de zeldzame jaguar, die
hij natuurlijk niet alleen kon pakken of de toendertijd
veelvuldig voorkomende poema met een gewicht van zeker 60 kilo
die hij op zijn minst moest kunnen vasthouden of de kleine
maar zeer wendbare en gevaarlijke Pecari of het geweldige
Europese everzwijn met een gewicht van rond de 200 kilo
alsmede verdere kleinere roofkatten en vossen die allen een
Europese jachthond een geweldig angstgevoel konden geven.
De
eerste fokprestatie van Antonio mag in een verbetering van het
reukvermogen worden gezien, dat zeker bij de vermengde
“Alano” niet meer uitgesproken ontwikkeld was. Om die
reden vonden de eerste inkruisingen met bekroonde uit
Frankrijk geïmporteerde Pointers plaats. Om meer gewicht en
hoogte te krijgen werden gevlekte Duitse Doggen gebruikt. Om
de ongevoeligheid voor pijn te behouden werden de
Bull-Terriers weer ingekruisd. Maar hier werd de eerste
vergissing begaan, doordat te laat werd opgemerkt dat de in La
Plata gekochte Bull-Terrier doof was en dit natuurlijk
vererfde. Het nam veel tijd in beslag om dit gebrek weer te
elimineren. Toch was het te eenvoudig en gewoonweg triviaal om
het probleem van de doofheid aan een enkele hond toe te
schrijven.
Het
gebruik van een Bordeauxdog moest de kaaksterkte vergroten.
Voor dezelfde reden werd de Engelse Bulldog en de Boxer
ingekruisd. Uiteindelijk werd in de laatste kruising de Ierse
Wolfshond gebruikt, die toendertijd nog een toonbeeld van
kracht en snelheid was. Ook de Mastino De Los Pirineos werd
gebruikt, volgens de overlevering voor betonsterke beenderen
oftewel postuur en een zuiver witte vacht.
Met
nadruk moet er melding van gemaakt worden, dat Antonio als
basis en vaste oriëntatie, ook in latere fases van het
fokken, steeds weer de “Viejo Perro de Pelea” heeft
gebruikt. Deze aanwijzing is daarom zo bijzonder belangrijk,
om duidelijk te maken dat de Dogo-Argentino zich uiteindelijk
maar weinig van zijn basis (de Alano) heeft verwijderd en maar
weinig kon verwijderen, daar geen fokkersgenie het klaar kan
krijgen een vermengt nieuw ras in een zo korte tijd
gelijksoortig te houden.
Bovendien
komt daar nog bij dat Antonio aan de ene kant juist in het
beginstadium geen exacte gegevens heeft bijgehouden (en juist
dit feit heeft vele schrijvers tot de avontuurlijkste maar ook
wel alledaagse theorieen gebracht). Aan de andere kant zal elk
waagstuk zoals Antonio heeft uitgevoerd te begrijpen naar
simpele recepten ruiken daar een groot aantal zaken reeds in
dit opzicht ver van de werkelijkheid staan.
Toen
het fokken tenslotte het niveau had bereikt, dat de honden een
algemene samenhang vertoonden, werden enkele aparte geslachten
of families opgericht, die vervolgens binnen de familie naar
fok werden geselecteerd en opeenvolgend werden gekruist.
De
bekendste families binnen de van het begin af aan streng van
elkaar gescheiden gehouden fok waren Araucana en Guarani namen
van Indiaanse stammen). Van begin af aan, maar voor alles
vanaf deze belangrijke fase kon Antonio op de hulp van zijn
broer Augustin rekenen. Hij zou later de belangrijkste pijler
worden voor de doorbraak van het ras Dogo-Argentino. Hij was
het ook die bereikte dat de Dogo-Argentino nationaal en ook
internationaal werd erkend.
|